De archeologische site van de antieke Romeinse stad Baelo Claudia, aan de Costa de la Luz in Zuid-Spanje op zowat twintig kilometer van Tarifa bij de Straat van Gibraltar, is een juweel. De stad werd tegen het einde van de tweede eeuw voor Christus gesticht en was oorspronkelijk een vissersplaats. De visvangst, het pekelen van voedsel en de productie van garum en de handel onder meer met het tegenoverliggende Afrika, waren de belangrijkste bronnen van inkomsten en zorgden ervoor dat de stad tijdens de Julisch-Claudische dynastie erg welvarend werd. Van keizer Claudius ontving de stad het statuut van municipium.
De uitgestrekte archeologische site schenkt de bezoeker vandaag een goed idee van het voorkomen van een Romeinse stad, strategisch gelegen aan de kust in een prachtig landschap. Vanuit de cavea van het theater boven op de zachte helling heeft men een prachtig uitzicht over het witte zand van de Playa de Bolonia. De Sierra de San Bartolomé in het oosten en in het westen de Sierra de la Higuera en Sierra de la Plata zorgen voor een natuurlijke beschutting waardoor de baai bijzonder geschikt was als aanlegplaats voor schepen.
Baelo Claudia was ommuurd. De bezoeker komt de stad binnen via de oostelijke toegangspoort. Zoals men op de archeologische sites van veel Romeinse steden kan zien, werden de straten van Baelo Claudia van oost naar west en van noord naar zuid aangelegd waardoor men een dambordpatroon verkreeg waarbinnen de publieke en private gebouwen werden ingeplant. Centraal lag het forum, de belangrijkste openbare ruimte van de stad die met een basilica, de curia en de tempel ter ere van de Capitolijnse Trias het wereldlijke met het goddelijke verbond. Op het hoogste punt van de stad bevond zich het theater , door een brede straat met winkeltjes verbonden met de thermen.
De zuidelijkste rand van de stad, die door de decumanus maximus werd gescheiden van het Forum, was het kloppende hart van de stad. Hier lagen de fabrieken die op grote schaal garum produceerden. Zij hadden allerlei bakken en vaten waarin de saus kon fermenteren. Deze stonden in de zon gezet, omdat het voor de fermentatie warm moest zijn. Het veroorzaakte een ongelooflijke stank. Net wegens die stank lagen dergelijke fabrieken doorgaans een stukje buiten de stad. Garum is een scherpe vissaus die de Romeinen bijzonder konden smaken. Veel garumfabrieken lagen aan de zuidkust van het Iberisch schiereiland, mogelijkerwijze omdat daar grote scholen tonijn en makreel vanaf de Straat van Gibraltar passeerden. Volgens Plinius de Oudere (Nat. Hist. XXXI, 93 e.v.) en Martialis (XIII, 102) was de beste vissaus het garum van makreel (scomber) dat werd gemaakt in Carthago Nova (het Spaanse Cartagena) en garum sociorum (‘vissaus van de bondgenoten’) werd genoemd. Maar ook Antibes in Gallia Narbonnensis was volgens Martialis (XIII, 103) erg befaamd voor haar verfijnde garum. De fabrieken van vissaus zorgden voor de welvaart van de bevolking van Baelo Claudia, ook voor grote rijkdom van de eigenaars.
De Doryphoros van Baelo Claudia (foto links), een marmeren standbeeld dat in de thermen van Baelo Claudia werd gevonden, getuigt van de vroegere rijkdom van de stad. De sculptuur stelt een naakte mannelijke atleet voor en is een kopie van de beroemde Doryphoros van Polykleitos, een van de meest iconische Griekse beelden uit de klassieke oudheid. Het oorspronkelijke bronzen beeld, dat verloren is gegaan, zou rond 440 v.Chr. zijn vervaardigd. Vandaag kennen we het werk uitsluitend via latere, voornamelijk Romeinse marmeren kopieën.
De bekendste kopie van de Doryphoros werd opgegraven in Pompeii en bevindt zich tegenwoordig in het Museo Archeologico Nazionale di Napoli (foto rechts). Een andere uitzonderlijk goed bewaarde Romeinse kopie werd in 1986 aangekocht door het Minneapolis Institute of Art. Dit exemplaar geldt als de best bewaarde versie die tot nu toe is overgeleverd, maar is tegelijk ook de meest omstreden.
Volgens de gangbare lezing werd het beeld vermoedelijk in de jaren dertig uit Italiaanse wateren opgedoken en verbleef het daarna decennialang in privécollecties. Aan het einde van de jaren zeventig werd het in bruikleen gegeven aan de Glyptothek in München, waarna het in 1986 door het museum in Minneapolis werd aangekocht. De Italiaanse overheid betwist echter die herkomst en stelt dat het beeld tussen 1975 en 1976 illegaal werd opgegraven op de Varano-heuvel, nabij Napels. Daarom heeft Italië een internationaal verzoek tot inbeslagname en teruggave van het kunstwerk ingediend.