Omtrent Augustus. Tacitus aan Bart de Wever

Gepubliceerd op 27 augustus 2014 om 20:54

Geschiedenis is reeds vaak gebruikt om politieke macht te legitimeren of een bepaalde politiek te justifiëren. Het verleden kan immers voor zowat elk doel worden gebruikt of misbruikt. Ook voor de geschiedenis van de oudheid geldt dat, misschien zelfs nog meer omdat het al zo lang geleden is en de bronnen bovendien zo schaars zijn.

Een mooi voorbeeld daarvan is de opiniebijdrage ‘Augustus legde de basis van de westerse beschaving’ door Bart De Wever in ‘De Tijd’ van 19 augustus 2014. De politicus/historicus verwijst naar een aantal ‘realisaties’ van Augustus, onder meer de hervorming van de senaat tot een echte wetgevende macht; een moderne, efficiënte en rechtvaardige bureaucratie; rechtszekerheid voor burgers; een financieel gezond overheidsapparaat; de ondersteuning van de meritocratie; aandacht voor stadsontwikkeling en cultuur; de vrijheid van meningsuiting. Ook de reacties op deze opiniebijdrage zijn interessant.

Een groep lezers kan deze tekst duidelijk smaken, om welke reden dan ook. Maar op het ogenblik dat iemand een kritische kanttekening plaatst bij het optreden van keizer Augustus en het imperialisme van Rome, leidt dat al spoedig tot een politieke discussie waarbij de kritische onverlaat wordt gedegradeerd tot een door mei-68 geïnspireerde provo die wordt gekweld door culturele zelfhaat. Hiermee wordt alvast duidelijk dat het portret dat Bart De Wever van keizer Augustus schetst, selectief is en vooral een politiek doel heeft.

Als historicus sta je uiteraard voor blok. Niemand ontkent dat keizer Augustus een geniaal figuur is geweest die zijn tijd en de toenmalige wereld heeft beheerst. Het is bovendien steeds een moeilijke oefening wanneer je als historicus geschiedenis wil actualiseren of een oordeel tracht te vellen over feiten die tweeduizend jaar geleden plaatsvonden.

Eén van de duistere periodes in de loopbaan van keizer Augustus, die op dat ogenblik nog Octavianus heette, is bij voorbeeld de beruchte proscriptie van 43 v.C., die werd uitgevaardigd door het tweede triumviraat dat hij samen met Antonius en Lepidus vormde. De triumviri zetten dit middel in om politieke vijanden fysiek te elimineren, maar ook om de schatkist aan te vullen. Historici schatten het totaal aantal doden van deze tweede proscriptie op ongeveer 2.300 personen. Ook de grote redenaar M. Tullius Cicero en zijn broer werden er het slachtoffer van. Wanneer je dit veroordeelt als pure politieke moord, dan dreig je onmiddellijk het verwijt te krijgen dat je de ene tijd nooit met de andere mag vergelijken. En zeker mag je geen moreel oordeel vellen, gewoon omdat maatschappij en zeden toen heel verschillend waren.

Tacitus

Om die redenen zouden wij hier één van de belangrijkste historici uit de 1ste eeuw n.C. zelf aan het woord willen laten, met name P. Cornelius Tacitus (54/55 – 117 n.C.). Tacitus slaagde erin om onder de Flavische en Antonijnse keizers een schitterende politieke loopbaan uit te bouwen met als hoogtepunt het consulaat in 97 of 98. In 81 vervulde Tacitus de functie van quaestor Augusti. Hij schreef de toespraken van de keizer aan de senaat én las ze voor. In die hoedanigheid was hij de woordvoerder voor zowel keizer Titus als voor keizer Domitianus. Vanuit zijn functie had hij dus toegang tot zowel de keizerlijke archieven als tot de senaatsarchieven die in het Tabularium te Rome werden bewaard.

Enkele maanden voor zijn overlijden beëindigde Augustus zijn testament, ‘Res Gestae Divi Augusti’. De tekst werd op bronzen platen gegrift die werden geplaatst vóór zijn mausoleum op het Marsveld te Rome. Het was een opsomming van zijn grootste realisaties. Hij had de vrede hersteld, te land en ter zee. De enige beloning die hij verhoopte was voort te leven als de grondlegger van de Res Publica, het best denkbare regime voor Rome, zo verhaalt Suetonius (Augustus, 28). In het eerste boek van de Annales maakte Tacitus zijn evaluatie van de regering van Augustus. Hij had de politieke manoeuvres van Augustus goed doorzien en schreef een vernietigend oordeel over het bewind van de eerste keizer :

'Toen er na de gewelddadige dood van Brutus en Cassius voor de republiek geen verdedigingsmiddelen meer overbleven, …, Lepidus van zijn krijgsmacht was beroofd en Antonius gedood, beweerde Augustus dat hij tevreden was met de macht van volkstribuun om het volk te beschermen. Nadat hij het leger voor zich had gewonnen door geschenken, het volk door korenuitdelingen en iedereen door de zoete verlokking van rust, groeide zijn macht geleidelijk en trok hij de bevoegdheden van de senaat, van de overheidspersonen en van de wetten naar zich toe. Daarbij ontmoette hij van niemand tegenstand omdat de felste republikeinen gevallen waren, hetzij op het slagveld, hetzij door vogelvrijverklaring. Wie er van de adel overgebleven was, werd des te meer met rijkdom en erebaantjes beloond naarmate hij zich bereidwilliger toonde in dienstvaardigheid…. Nu de nieuwe orde in de staat gevestigd was, bleef er begrijpelijkerwijs in geen enkel opzicht iets over van de vroegere ongerepte geest: afgedaan had de gelijkheid voor de wet en iedereen lette aandachtig op de bevelen van de vorst, waarbij men niets moest duchten voor het heden zolang Augustus, nog in de kracht van zijn jaren, zichzelf, zijn dynastie en de vrede handhaafde…. Ongetwijfeld heerste er vrede, maar een bloedige: de nederlagen van Lollius en van Varus; de terechtstellingen in Rome van Varro (Murena), van (Marcus) Egnatius en de gedwongen zelfmoord van Iullus… '

Het beeld dat Tacitus van het bewind van Augustus schetst is ontluisterend. De vrijheid van het politieke initiatief was dood, vermoord, net als de vrijheid van het volk. Niet de persoonlijke merites, maar de gunsten van de princeps bepaalden de politieke loopbaan. En de geroemde vrede had meer weg van een wrede repressie. De Res Publica bestond enkel nog bij naam! Ook Suetonius verschaft ons een portret van de eerste princeps dat in het verlengde ligt van het verhaal van Tacitus, maar dan gelardeerd met talloze details die niet altijd even ter zake zijn. In ieder geval heeft Augustus tijdens zijn leven enorm veel vijanden gemaakt. Het is opmerkelijk dat hij uiteindelijk in bed is gestorven, bijna zevenenzeventig jaar oud. Hoewel, er gingen volgens Tacitus en Cassius Dio hardnekkige geruchten dat Livia, de echtgenote van Augustus, met wat in gif gedrenkte vijgen de dood een handje heeft geholpen.

Propaganda

Eén van de redenen waarom keizer Augustus nog steeds zijn aanhangers heeft als edelmoedig staatsman, is de ijzersterke propaganda die hij wist op te zetten via architectuur, literatuur en beeldende kunsten. Voor de antieke periode was die ongeëvenaard en van een bijzondere professionaliteit. De recente tentoonstelling die achtereenvolgens in Rome en in Parijs aan Augustus werd gewijd naar aanleiding van zijn 2000-jarig overlijden bracht de absolute hoogtepunten van die kunstproductie samen en illustreerde hoe sterk die politieke boodschap, die ideologie van de eerste princeps werd uitgedragen: Augustus Pater Patriae! De spin in dat web was Maecenas, één van zijn beste vrienden. De geschiedenis omarmde hem als een vredesvorst, onder meer dankzij de Ara Pacis en het Carmen Saeculare van Horatius, die tot de literaire kring rond Maecenas hoorde.

Eén van de eersten die de perfide politiek van Augustus doorprikte was R. Syme in zijn boek ‘The Roman Revolution’ (Oxford, 1939). De scherpe kritiek van deze Britse geleerde aan het adres van de princeps werd echter niet gehoord door de historici in de totalitaire en fascistische regimes van het einde van de jaren 1930. Maar tijdens de 2de helft van de 20ste eeuw nam de aandacht van de onderzoekers voor de ideologie en de propaganda van deze visionaire leider toe. Volgens Cicero was een goede kennis van de geschiedenis noodzakelijk voor een politicus. Wanneer de nieuwe wereldorde van keizer Augustus vijf eeuwen Europese geschiedenis heeft bepaald, dan is het ondertussen minstens even duidelijk dat huidige politieke leiders zich best niet spiegelen aan de vader ervan.

 

Ook verschenen in De Tijd

 

Foto: Augustus als Pontifex Maximus (Museo Nazionale Romano, ca. 20 v.Chr.).