Louis Couperus over de Via Appia

Gisteren ochtend wandelde ik in Rome over de Via Appia. De ochtendlijke zon was nog aangenaam, de hitte van de dag nog ver weg. De Via Appia zelf, met haar schaduwende bomen en vervallen grafmonumenten, straalde een grote rust uit. Was dit wat Louis Couperus die dag in januari 1894 zag?

Vanaf september 1893 reisde Louis Couperus (1863-1923) met zijn echtgenote Elisabeth Couperus-Baud door het zuiden van Europa. Het paar bezocht Italië en Griekenland en Louis Couperus beschreef zijn indrukken in een aantal Reis-impressies die tussen februari en mei 1894 als brieven verschenen in De Gids. Deze reis betekende ook de eerste kennismaking met Rome, de stad die hij een grote indruk op hem maakte en die hij lief zou krijgen. Hij keerde er verscheidene malen terug. In december 1893 stelde Louis Couperus aan zijn uitgever L.J. Veen voor zijn reisimpressies te bundelen. Die bundel werd in 1894 gepubliceerd. In de zesde brief schreef Louis Couperus over de 'Via Appia', vervuld met melancholie door de eenzaamheid van het landschap met antieke ruïnes, een herder, boerinnen en soldaten.

 

Eindeloos gaat de antieke weg, komt van Rome, dat reeds ver ligt en gaat tot in het eindelooze door, naar de Albaansche bergen, die ginds in den zonmiddag waasblauwen en zelfs witgloeien, in den zachten winterzonglans.... En uit de transparante lucht, boven de ver uitgespreide campagna, valt drukkende neêr de melancholie van die antieke eenzaamheid....

Verder weg, links, loopen de oude, telkens verbroken aquaducten met bogen na bogen weg, en verliezen zich, tusschen de steeds smaller wordende perspectieflijnen van hunne boogsprongen, in het blauwige middagwaas der verschieten....

Aan den weg de ruïnes der antieke sepulturen met de stukken marmer en de busten van wier asschen daar rustten.... En ze zijn allen verdwenen, al hebben ze eens geleefd in Romeinsche oudheid, al hebben ze eens hunne levens gehad, met al wat het leven geven kan....

Drukkender, den adem benemend, en zittende als een spook op de borst, zinkt de melancholie zwaar neêr....

Dichtbij, langzaam, zich nauwlijks bewegende, weidt een herder,—in schaapsvellen en langen mantel, langen stok in de hand,—zijne schapen en hij is van een warm bruin tegen het waas van den blauwen middag.... Bij eene oude, kleine pachthoeve,—een hooge steenen trap gaat naar boven—praaten een paar vrouwen, de eene op de trap, de andere op den weg melodramatisch gebarende naar boven, en schel vlakken de penseelvlakjes van hunne roode en gele rokken en witte doeken in het waas van het dommelende licht op....

Rechts de eindelooze wijdte, ernstig, desolaat in de zon. Troepen van bersaglieri, dragende den zwaren ransel, die zij verschikken telkens, op den rug, en, in de hand, het geweer, komen aan, loopen los van elkaâr, om ergens te kampeeren. Romantisch wapperen hunne zwarte vederbossen, afhangende van den ronden hoed, die schuin staat....

En eeuwig schijnt de weg te gaan, eeuwig in vreemde zonmelancholie....

 


«