In Koolkerke, een deelgemeente van Bruggen vlak bij Damme, zijn al een tijdje archeologische opgravingen bezig. In mei zijn er al sporen van een oude Romeinse dijk (zie foto midden) gevonden die gebouwd was aan de rand van een grote getijdengeul. Er bovenop waren er duidelijke sporen van Romeinse bewoning. Het is een belangrijk dat die bewoning al vanaf omstreeks 200 na Christus kan vastgesteld worden.
Het landschap in die periode lag dichter bij zee en overstroomde geregeld. Toch bleven er mensen wonen, onder meer door dammen of dijken op te werpen. Nu zijn er langs de Vlaamse kust al eerder resten van kleine dijkjes en opgehoogde woonplaatsen uit de Romeinse tijd terug gevonden, meestal fragmentarisch bewaarde sites of locaties die slechts gedeeltelijk konden worden opgegraven. In Koolkerke lijkt de situatie anders te zijn. Hier situeren de dijk en de bewoning zich wellicht volledig binnen het gebied dat voor werkzaamheden is bestemd waardoor er zich een unieke mogelijkheid voordoet het volledige terrein systematisch op te graven en te bestuderen.
Waarom bleven de mensen hier ondanks het overstromingsgevaar wonen? Wellicht heeft dat te maken met de handel en een verbinding met de zee. Ook werden er sporen van zoutwinning teruggevonden. Zout was destijds een kostbaar goed, de handel erin bracht zekere welstand. Langs de kust werden kunstmatige zoutpannen aangelegd waarin het zeewater achtereenvolgens in verschillende bekkens of bassins werd geleid. Daar werd het door natuurlijke verdamping geleidelijk geconcentreerd tot een zoute loog. Voorbeelden daarvan zijn de zoutpannen van Raverszijde en Zeebrugge. Om de productie, en dus de winsten, te maximaliseren hadden de zoutboeren gedurende jaren de zandplaten afgegraven om op die manier de getijdenwerking te vergroten. Een beknopte samenvatting ervan kan de lezer vinden in mijn boek ‘Rome en de Lage Landen. Een geschiedenis van Caesar tot Clovis’ (Uitgeverij Lannoo), p. 350-352. Die zoutwinning kwam echter ook met een zware prijs. Onoordeelkundige aanleg van zoutpannen in combinatie met het uitgraven van geulen, de intensieve veenontginning en de drainering van veengronden voor akkers leidde tot zware mariene overstromingen (zie p. 442). De aanleg van de vermelde dammen lijken in die richting te wijzen. Ik ben uiteraard erg benieuwd naar het vervolg in dit onderzoek.
Foto: Koen Theuns