Oudheidkunde op politieke maat gemaakt

Gepubliceerd op 29 november 2023 om 19:00

 De Groene Waterman te Antwerpen, 29 november 2023

Mensen hebben vele motieven om hun verleden te onderzoeken. Sommigen zijn gewoon voor hun plezier in geschiedenis geïnteresseerd. Anderen willen meer weten over hun herkomst of zoeken een beter begrip van de hedendaagse maatschappij en beschouwen reflectie over het verleden als een bron voor maatschappelijk engagement. Reeds in de 2de eeuw v.C. verkondigde de grote Griekse historicus Polybius, die uitvoerig de geschiedenis van Rome beschreef, dat geschiedenis dienstbaar moet zijn, vooral voor mensen die verantwoordelijkheid dragen. Volgens Cicero was een goede kennis van de geschiedenis een absolute noodzakelijkheid voor een politicus.

De Franse historicus François Hartog introduceerde een vijfentwintigtal jaren geleden het begrip ‘historiciteitsregime’ waarmee hij doelde op de wijze waarop een maatschappij omgaat met de relatie tussen verleden, heden en toekomst. Polybius en Cicero zijn de vertegenwoordigers van het ‘oude historiciteitsregime’ par excellence, intellectuelen die er van uit gaan dat het verleden een licht werpt op de toekomst. De Franse Revolutie leidde tot een radicale breuk. Niet langer het verleden, maar de toekomst was maatgevend. De tijd van de grote utopieën brak aan. Ideologieën zoals het communisme, het fascisme en het neoliberalisme bepaalden de omgang met het heden en verleden en leidden tot enkele onzalige maatschappelijke concepten.  

Inmiddels is een nieuw historiciteitsregime verschenen dat de verhouding tussen verleden, heden en toekomst opnieuw definieert, namelijk dat van het ‘presentisme’. Niet het verleden noch de toekomst zijn de maatstaf van ons handelen, maar het heden. Maatschappelijke relevantie wordt één van de kernbegrippen. Een van de gevolgen van die ontwikkelingen is dat het verleden alleen van belang wordt geacht als we er iets aan hebben. Een canon is daarvan een goed voorbeeld.

Een relatief onschuldig gevolg van deze ontwikkelingen is de hype van het ‘erfgoedtoerisme’. Erfgoed wordt niet alleen beschouwd als een belangrijke mediator tussen een samenleving en haar verleden, maar ook als een stevige hefboom voor de economische ontwikkeling van een stad of een regio. Het project ‘Via Belgica’ is daarvan een uitstekend voorbeeld. Maar de manier waarop het leidt tot ‘erfgoedconsumptie’ laat ons tegelijk ook vragen stellen. Wat willen wij met ons erfgoed? Wat willen wij uit ons verleden bewaren? Hoe willen wij dat erfgoed gebruiken en ontsluiten?

Erfgoed is een veruitwendiging is van de aanwezige geschiedenis. Talrijke monumenten zijn geen gemakkelijke getuigenissen uit het verleden. Net als naziconcentratiekampen zijn bij voorbeeld Romeinse amfitheaters, waar duizenden mensen het leven lieten ter vermaking van het volk, monumenten die niet stroken met onze waarden, maar ongemakkelijke getuigenissen van een complex verleden. In het kader van een ontspanningscultuur is erfgoed echter liefst niet ongemakkelijk. En zo worden in die amfitheaters spectaculaire muziekopvoeringen en evenementen georganiseerd die nog weinig het oorspronkelijke karakter reflecteren. Het project ‘Via Belgica’ heeft theoretisch tot doel de Romeinse weg tussen Maastricht en Keulen beleefbaar en zichtbaar maken, maar verwordt de facto tot een plat commercieel product dat de deelnemende gemeenten en horecazaken toeristisch in de markt moet zetten. De onbewezen suggestie dat Caesar herhaaldelijk een route tussen Bavay, Maastricht en Keulen volgde leidde op de website www.ViaBelgica.nl tot de titel ‘Via Belgica volgt route van Caesars snelweg’. Vandaar de vraag of een dergelijke benadering geen obstakel vormt voor een juiste omgang met erfgoed. Leidt de maatschappelijk gewenste omgang, met name een toeristische invulling, niet tot de creatie van een nieuw soort erfgoed dat appelleert aan een onbestaande geschiedenis? Erfgoedwerking wordt in het kader van een ‘cultuurpolitiek’ zo een erg dankbaar instrument voor het creëren van een nieuwe geschiedenis.

Echt problematisch wordt het wanneer het présentisme de politiek gaat beheersen, erfgoedbeheer een herinneringsindustrie wordt en geschiedenis een grabbelton waaruit je naar goeddunken leuke feiten kunt plukken om de eigen politieke boodschap kracht bij te zetten. Het resultaat daarvan is een buitenmaatse aandacht voor historische identiteit. ‘Natie en nationaliteit lijken vanzelfsprekende begrippen,’ maar zo voegde E.H. Kossmann er in 1993 aan toe, ‘vanzelf lijken naties echter niet te ontstaan. Ze worden in het leven geroepen omdat de politiek daaraan behoefte heeft.”

De uitspraak van Caesar dat ‘Van al deze volkeren de Belgen het dapperst zijn’ bleek meer dan voldoende om de ontstaansmythe van de jonge natie België en de mythe van Ambiorix een solide basis te schenken. Dat de ‘grenzen’ waarbinnen de Belgische stammen woonden geen enkel verband hielden met de Belgische staatsgrenzen na 1830 speelde geen tol. Bij V. Clobert die onmiddellijk na de onafhankelijkheid een schoolhandboek voor het secundair onderwijs samenstelde, krijgt de mythe haar volle betekenis. In zijn Leçons d’Histoire aux élèves du Degré Moyen des Ecoles primaires schrijft hij in 1831 het volgende:

Laten we de moed van onze voorouders bewonderen. Eendracht maakt macht was reeds hun devies. Op bevel van hun leider zijn ze opgetrokken tegen de ontelbare legioenen van Caesar en hebben ze hun bloed laten vloeien over de heilige grond van het Vaderland. België toonde zijn dankbaarheid door voor deze helden, die een voorbeeld zijn geweest, een standbeeld op te richten.

In de vleiende voorstelling van het ‘dappere Belgische volk’ vonden geschiedkundigen een onverhoopt argument om de in 1830 verworven onafhankelijkheid te legitimeren. Historici zagen in de uitspraak van Caesar vooral een uitstekende basis voor een jonge natie die nog op zoek was naar een eigen identiteit. De ‘Oude Belgen’ konden zodoende worden ingeschakeld voor de politieke doeleinden van het moment. Ideologie won het van de geschiedenis.

In die context ging de nieuwe Belgische staat op zoek naar ‘nationale helden’. Luik zou zijn keuze laten vallen op Karel de Grote (1842), Brussel op Godfried van Bouillon (1843), Brugge op Jan Van Eyck (1856), Gent op Jacob van Artevelde (1862). In Tongeren was dat uiteraard Ambiorix. Hendrik Conscience (1812-1883) schreef in opdracht van de overheid een sterk patriottische ‘Geschiedenis van België’. De regering stak alle steden een helpende hand toe en keerde hun ruime toelagen uit. In Tongeren deed Frans Driesen, die erg actief was in het genootschap, in 1851 een pathetische oproep:

Waarom heeft de stad Tongeren geen zeer rijke kas en zeer patriottische magistraten! We raden haar aan het initiatief te nemen en op een van zijn openbare pleinen een prachtig monument op te richten ter nagedachtenis aan Ambiorix, de Eburoonse held en bijna Tongenaar!’

Er zouden echter nog jaren van politiek getouwtrek over ontwerp, uitvoering en financiering volgen. De aanwezigheid van het vorstenpaar alsook van de minister van Binnenlandse Zaken tijdens de inhuldiging van het standbeeld op 5 september 1866 toont het politieke belang van de oprichting van dergelijke beelden aan. Ambiorix zelf zou uitgroeien tot de ambassadeur van Tongeren en in 2005 tijdens de verkiezing van De Grootste Belg op de vierde plaats eindigen.

Ondertussen verscheen Ambiorix ook in het ‘Verhaal van Vlaanderen’ waarin hij het anderhalve legioen van Sabinus en Cotta verslaat in een keteldal in de buurt van Caestert (Riemst). Dat hiervoor geen feitelijke archeologische bewijzen beschikbaar zijn, lijkt niet ter zake. In ‘De canon van Vlaanderen’ krijgt het standbeeld van de Eburonenvorst een pagina vullende foto. Geleidelijk vormt zich een nieuwe mythe die Ambiorix als een echte ‘Vlaamse’ held definieert.

Het helpt niet dat geschiedenis en oudheidkunde zich inmiddels presenteren als een veelheid aan verledens die in brokstukken aan het heden werden overgeleverd. De gedachte van Nietzsche dat één waarheid niet bestaat, was ook van grote invloed op de waarden die voor de geschiedenis een richtsnoer vormen. Het gevolg is dat de historische waarheid niet altijd toetsbaar is. Historici en oudheidkundigen kunnen zich vanuit die visie moeilijk opwerpen als hoeders van de ware geschiedenis. In die zin stelde Bart de Wever in een opiniestuk in ‘De Standaard’ (27 februari 2002) terecht dat Oordelen over het verleden geen voorrecht is van vakhistorici. Het staat iedereen vrij de geschiedenis te interpreteren en van die interpretatie politiek gebruik te maken. Het gebruik van het verleden om het heden kan inderdaad zinvol zijn. Maar het verleden kan daardoor eveneens voor zowat elk doel worden misbruikt. Ook voor de oudheidkunde geldt dat, misschien zelfs nog meer omdat het al zo lang geleden is, de bronnen bovendien zo schaars zijn en nieuwe onderzoeksmethoden zo specialistisch. Oudheidkunde verwordt zo tot één van de instrumenten in de politieke arena.  

In die context worden historische feiten ondergeschikt gemaakt aan de politieke ambities en aan de functionaliteit ervan voor het politieke discours. Eén van de politici die de oudheidkunde met plezier opvoert is Bart de Wever die bij momenten heden en verleden met elkaar vereenzelvigt. Een perfect voorbeeld hiervan is zijn in essentie lovenswaardig pleidooi voor het concept van ‘inclusief burgerschap’. Dat houdt grosso modo in dat individuen deel uitmaken van de maatschappij en daarbij participeren in het sociale, economische, politieke, burgerlijke en culturele leven. Een argumentatie voor die inclusieve maatschappij vindt Bart De Wever in de redevoering die keizer Claudius in 48 na Christus in de Senaat uitsprak. In het magazine ‘Wilfried’ laat hij hierover het volgende optekenen:

Hij (keizer Claudius) verdedigt een inclusief, open, warm burgerschap. Op het moment dat men vaststelt dat vreemdelingen zich beginnen te mengen met de Romeinen, via huwelijken, vindt Claudius dat we ze verder kunnen integreren. Terloops merkt hij ook op dat Rome beter kan profiteren van hun rijkdom en hun arbeid. Hij is niet naïef. Op enkele woorden na kan de toespraak van Claudius op vandaag toegepast worden. Hij past perfect bij de opvatting van de N-VA over inclusief burgerschap: niet naïef zijn, vreemdelingen verplichten de fundamenten van onze beschaving te respecteren, maar ook: zodra ze die stappen genomen hebben, ze zonder voorbehoud als volwaardige burgers accepteren.”

Dat standpunt verduidelijkt hij verder in zijn boek ‘Over identiteit’. De wijze waarop hij dat uiteenzet resulteert in een op het eerste gezicht zeer aannemelijk narratief dat evident voor zichzelf spreekt. De vraag is echter of dit overeenstemt met de realiteit.

De problematiek van het verlenen van het Romeinse burgerrecht aan Galliërs situeert zich tijdens de Julisch-Claudische dynastie in een zeer specifieke context van militaire dienst in het Romeinse leger waarbij in eerste instantie vooral de krijgselite de begunstigden van het burgerrecht waren. De redevoering van Claudius van 48 n.C. gaat ook over het verzoek van enkele Gallische notabelen om opgenomen te worden in de Romeinse senaat. De redevoering bleef bewaard via een bronzen tafel en een verslag van P. Cornelius Tacitus. Het was een woelige en vurige zitting en sommige tussenkomsten zouden ook vandaag heel actueel kunnen klinken. Afzonderlijk van elkaar kunnen beide teksten verschillend geïnterpreteerd worden. Maar samen leiden zij tot de conclusie dat keizer Claudius het vooral opneemt voor de puissant rijke elite van Vienne en Lyon die bovendien al een duidelijk Romeinse herkomst heeft.

In hun verwijzingen naar historische gebeurtenissen kunnen politici het bijzonder bont maken zoals  Filip Dewinter in het interview in Humo van 7 november ’23. Op de vraag “Waarom is gecontroleerde arbeidsmigratie geen optie?” poneerde deze extreem rechtse Vlaamse volksvertegenwoordiger de stelling die hij in Knack van 22 november verder toelichtte:

Het succes van het oude Rome was gebouwd onder andere op de slavernij, maar ze was ook de ondergang ervan”, en verder: ”Steeds meer deed Rome een beroep op slaven om zijn economie en leger draaiende te houden. Daarvoor werden steeds meer zogenaamde rechten aan de slaven gegeven. Uiteindelijk was Rome zo afhankelijk – zowel op economisch als op militair vlak – van de slaven dat het niet anders kon dan die almaar meer rechten en faciliteiten in het kader van het Romeinse burgerschap te geven. Dat leidde tot opstanden en geweld, wat het rijk intern verzwakte en ten gronde richtte.”

Deze uitspraken die zijn theorie van de omvolking moeten ondersteunen, illustreren niet enkel een manifest gebrek aan kennis van de antieke slavernij. Bovendien heeft Dewinter niet het minste benul van de betekenis van het Romeinse burgerschap en van de overgang van de antieke naar de middeleeuwse wereld.

Voor die uitspraak baseerde Dewinter zich op het compleet gedateerde  werk ‘The History of the Decline and Fall of the Roman Empire’ van Edward Gibbon (1737-1794). In zijn boek beschrijft de Britse geschiedschrijver prachtig de ondergang van het Romeinse Rijk vanaf Marcus Aurelius tot aan de val van Constantinopel in 1453. Aan de grondslag van dat dramatische einde zag Gibbon onder andere de opkomst van het christendom, de twisten onder de Romeinen en de agressie van de Vandalen en de Arabieren die hij als religieuze fanatiekelingen karakteriseerde.

Gibbon was per excellence een vertolker van de idee van het declinisme.  Dat is de overtuiging dat een samenleving onvermijdelijk neigt naar achteruitgang. Deze idee werd tijdens de 19de eeuw gekoppeld aan het biologisch racisme. Dat vertolkte de opvatting dat slaven, bijzonder uit oriëntaalse volkeren, het zuivere ras “bezoedelden”. Reflecties daarvan vindt men in de beeldende kunst van de 19de eeuw. Het oriëntalisme in de kunst is zodoende een ideologische constructie waaraan het Westen culturele hegemonie ontleent. Voor een discours over ‘omvolking’, waarbij de oorzaak wordt gelegd bij een toestroom van allochtonen die onze beschaving niet delen, bieden verouderde geschiedkundige studies zoals deze van Gibbon voldoende ‘historische’ argumenten.

Terwijl de historicus Bart De Wever ooit ervoor wilde waarschuwen dat de politiek zich de geschiedenis zou toe-eigenen en tegelijk vragen stelde bij de achterliggende motieven daarvan, bezondigt de politicus Bart De Wever zelf zich aan dat euvel. Zich beroepen op compleet verouderde wetenschappelijke literatuur zoals ‘Decline and Fall’ van Edward Gibbon is zoiets als afzien van twee eeuwen wetenschap. Die literatuur vandaag inzetten ter ondersteuning van politieke denkbeelden is een bijzonder kwaadwillige vorm van misinformatie. Het is duidelijk, oudheidkunde is geen ‘waardenvrije’ bezigheid, maar kan politiek worden ingezet om de publieke opinie mee te manipuleren. Het helpt daarbij uiteraard niet dat problemen van de historische kritiek met het oog op het beoordelen van informatie in het algemene onderwijs te weinig aandacht krijgen. Slechte historische kennis is zo de ideale voedingsbodem voor politieke propaganda en triviaal erfgoedtoerisme. Door het feit dat de opkomst van het internet er voor gezorgd heeft dat onjuiste informatie zich snel kan verspreiden, wordt het bovendien vaak moeilijk deze te weerleggen. De oudheidkunde wordt ondertussen reeds te vaak misbruikt omdat te weinig aandacht uitgaat naar het belang van de wetenschappelijke beoefening ervan. Hoewel de oudheidkundige disciplines zich met nieuwe technieken vernieuwen, nieuwe data en inzichten verwerven en nieuwe perspectieven aanreiken, lees je er in de pers weinig over. De mogelijkheden die het DNA-onderzoek sedert 25 jaar creëerden voor onze kennis van bij voorbeeld de migraties van bevolkingsgroepen tijdens de Romeinse tijd blijven eigenlijk onderbelicht. Daar tegenover staat dat nogal wat oudheidkundigen vooral berichten met spektakelwaarde de wereld inzenden. Dat is jammer. In zijn nieuwste boek ‘Oudheidkunde is een wetenschap (en dat mag je ook best eens uitleggen)’  legt Jona Lendering daarom uit waar de wetenschappelijke dynamiek zit en waarom nieuwe inzichten onvoldoende doordringen in het publieke debat. Het ontbreken van goede uitleg van het wetenschappelijk proces vormt niet alleen de grootste bedreiging voor de oudheidkunde, maar is tegelijk de beste voedingsbodem voor een soort politieke recuperatie onder de dekmantel van oudheidkunde.