Goethe en de Igeler Säule

Gepubliceerd op 19 januari 2021 om 11:38

Wie de machtige grafpijler van de Secundinii in het centrum van Igel passeert, kan er enkel met bewondering naar kijken. Het drieëntwintig meter hoge monument, bekroond met een adelaar met oorspronkelijk wijd gestrekte vleugels, werd tijdens de 1ste helft van de 3de eeuw, in opdracht van de gebroeders Lucius Secundinius Aventinus en Lucius Secundinius Securus, opgericht voor henzelf alsook voor hun reeds eerder overleden familieleden.

De twee broers hadden de pijler laten bouwen op de linkerkoever van de Moezel langs de Romeinse weg van Trier naar Reims. Hij stond op een plaats waar ook nog andere grafmonumenten waren opgericht. De archeologen troffen er fundamenten, reliëfs en sarcofagen aan. Het was ongetwijfeld een soort familiebegraafplaats die in de nabijheid van de villa lag. Inmiddels is deze reeds lang verdwenen. Een banale woonwijk kwam er in de plaats .

De grafpijler van de Secundinii is de best bewaarde ten noorden van de Alpen. Zijn behoud dankt het monument aan de middeleeuwse legende. Volgens die legende verbeeldde de hoofdscène aan de zuidzijde het huwelijk van Constantius Chlorus met de heilige Helena, de moeder van Constantijn de Grote. Daardoor genoot hij de bescherming van de Katholieke Kerk. Ondertussen zijn de eeuwen niet voorbijgegaan zonder hun sporen na te laten. Een aantal sculpturen zijn sterk verweerd. Maar via de beelden en het opschrift op de pijler  weten wij voor wie het gedenkteken was bestemd:

D(is) M(anibus) P[---] Secu[---] voca/t [---] / no[--- fi]li(i)s Secund[ini] Secur[i] et Publiae Pa/cata[e] coniugi Secundini A[ve]ntini et L(ucio) Sac/cio Modesto et Modestio Macedoni filio ei/ius Luci Secundini[u]s Aventi[n]us et Secundi/niu[s Se]curus parentibus [def]unctis et / s[ibi] vivi ut (h)aberent fecerunt.

 Aan de Goden van de onderwereld. Publius Secundinius, hun vader, de keizerlijke oudvrijwilliger, Sec...en ...., de zonen van Secundinius Securus en Publia Pacata, de echtgenote van Secundinius Aventinus, en Lucius Saccius Modestus en zijn zoon Modestius Macedonius. Lucius Secundinius Aventinus en (Lucius) Secundinius Securus hebben voor hun overleden verwanten en voor zichzelf, om het tijdens hun leven al te bezitten, (dit gedenkteken) laten oprichten.

Boven de tekst staan twee mannen in reliëf afgebeeld. Zij hebben een schriftrol in de hand. Eén van de mannen houdt de hand vast van een jongen die tussen hen in staat. Dit is het hoofdreliëf dat verwijst naar het afscheid van de tweede zoon door zijn vader Lucius Secundinius Securus en diens broer Lucius Secundinius Aventinus. Boven hun hoofden staan een drietal schildvormige medaillons in een oude Romeinse traditie, links en rechts een mannenbuste, in het midden een vrouwenhoofd.  Dit zijn de nicht Publia Pacata, de echtgenote van Lucius Secundinius Aventinus, links de vader Publius Secundinius en rechts de vroeg gestorven zoon van Lucius Secundinius Securus. De dood van de tweede zoon was klaarblijkelijk de aanleiding tot de bouw van het imposante grafmonument. In het grafschrift worden ook Lucius Saccius Modestus en zijn zoon Modestius Macedonius vernoemd. Beide mannen waren geen lid van de gens Secundinia. Hun relatie met de Secundinii blijkt ook niet uit de iconografie van de grafpijler.

De Secundinii waren een familie van landeigenaars en textielhandelaars die in Trier de hoofdzetel van hun bedrijf hadden. Zij waren de plaatselijke topondenemers met een wijd vertakt netwerk van schapenfokkers, spinners, wevers, vollers, wolkleurders en stofproducenten die allemaal op verschillende locaties werkzaam waren. 

De grafpijler van de Secundinii werd erg door Johann Wolfgang von Goethe bewonderd. Toen hij tijdens één van zijn reizen nogmaals de Igeler Säule passeerde schreef hij :

Doch ein herrlicher Sonnenblick belebte soeben die Gegend, als mir das Monument von Igel wie der Leuchtturm einem nächtlich Schiffenden entgegenglänzte. Vielleicht war die Macht des Altertums nie so gefühlt als an diesem Kontrast: Einem Monument, zwar aus kriegerischen Zeiten, aber glücklicher siegreicher Tage und eines dauernden Wohlbefindens rühriger Menschen in dieser Gegend. …

(Uit Johann Wolfgang von Goethe: Campagne in Frankreich, 22. Oktober 1792)

 

Lees verder: Robert Nouwen, De onderdanen van de keizer, 119-123.

Foto: wikiwand


«   »