Van Rome naar Tivoli: de Via Tiburtina

Terwijl de Via Appia bij vele Rome-reizigers ongetwijfeld een belletje doet rinkelen, is dat voor de Via Tiburtina zeker niet het geval. En toch gaat het om een van de belangrijke uitvalswegen van Rome. Strabo klasseerde deze heerbaan samen met de Via Appia en de Via Latina onder de beroemdste wegen (Strabo V.3.9). De weg in de vallei van de Aniene dankt haar naam aan haar oorspronkelijke bestemming Tivoli (Tibur) dat ongeveer 45 kilometer noordoostelijk van Rome lag. Het was de Romeinse consul Marcus Valerius Maximus die de Via Tiburtina omstreeks 286 v.C. liet aanleggen. Het eerste deel van de heerbaan heette daarom geruime tijd de Via Valeria en nu wordt hij ook wel eens de Via Tiburtina Valeria genoemd. In de eeuwen die volgden werd de weg geleidelijk uitgebreid en verlengd. Met een totale lengte van 200 kilometer werd hij al spoedig een belangrijke verkeersader tussen Rome en Aternum, het huidige Pescara. Dat was niet in het minst het geval voor de Romeinse elite die tijdens de hete zomerperiode naar hun buitenverblijven in de omgeving van Tibur reisde. Beroemde Romeinen zoals Sallustius, Catullus, Horatius, Maecenas en keizer Trajanus hadden er een luxueus buitenverblijf. Ook keizer Hadrianus had voor zichzelf in Tibur een schitterend landgoed laten bouwen.

Van de Via Tiburtina is in het huidige landschap nog weinig te zien. Hedendaagse wegen hebben voor een groot gedeelte het tracé ingepalmd. De aanblik is bij momenten bijzonder mistroostig en getuigt er van een compleet gebrek aan ruimtelijke planning. Die mistroostigheid wordt al onmiddellijk zichtbaar aan de Porta Tiburtina waar dagelijks talloze auto's een vrij zicht op dit grandioze monument belemmeren. Uitbreidingswerken aan de Via Tiburtina, onder meer de aanleg van vier rijstroken tussen Albuccione en Guidonia in 2020, leggen weliswaar geregeld restanten bloot, waarvan sommige dateren uit de 2de of 1ste eeuw v.C.. Zo konden de archeologen nog de goed aansluitende tufsteenblokken uit de 4de of 5de eeuw n.C. waarnemen, net zoals op de Via Appia Antica. Het wegdek verkeerde na al die eeuwen nog in een uitstekende staat van bewaring. Het was vier meter breed en rustte op een laag grind. De groeven en sporen die werden achtergelaten door de wielen van de vele duizenden wagens en karren die hier in de oudheid hebben gedokkerd waren nog duidelijk zichtbaar. Maar voorts is deze ooit zo befaamde weg nauwelijks nog herkenbaar.

De Via Tiburtina verliet Rome oorspronkelijk aan de Porta Esquilina in de Muur van Servius Tullius op de Esquilijn. Volgens Strabo begonnen de Via Labicana en de Via Praenestina bij deze poort. De splitsing van deze twee wegen vond echter pas plaats net voor de Porta Praenestina van de Aureliaanse muur. Aan het einde van de Republiek was de poort vervallen. Keizer Augustus liet hem rond 7 v.Chr. heropbouwen. In 286 werd de poort omgebouwd tot de triomfboog van Gallienus, die nog steeds op deze plaats staat. Na 271 werd het vertrekpunt van de Via Tiburtina zelf verplaatst naar de Porta Tiburtina die deel uitmaakte van de toen nieuw gebouwde Aureliaanse Muur. De poort is echter ouder dan de Aureliaanse Muur. Oorspronkelijk was het een boog door Augustus gebouwd op het punt waar drie aquaducten, met name de Aqua Marcia, de Aqua Julia en de Aqua Tepula over de Via Tiburtina liepen. Hij draagt drie opschriften. Helemaal boven ter hoogte van de Aqua Julia herinnert een opschrift van 5 v. Chr. aan de restauratie van leidingen van de drie aquaducten:

CAESAR DIVI IULI F(ilius) AUGUSTUS PONTIFEX MAXIMUS CO(n)S(ul) XII TRIBUNIC(ia) POTESTAT(e) XIX IMP(erator) XIIII RIVOS AQUARUM OMNIUM REFECIT

Imperator Caesar Augustus, zoon van de goddelijke Julius, pontifex maximus, consul voor de twaalfde keer, bekleed met de tribunicia potestas voor de negentiende keer, imperator voor de dertiende keer, herstelde de kanalen van alle aquaducten.

In het midden ter hoogte van de Aqua Tepula en onder ter hoogte van de Aqua Marcia verwijzen opschriften naar vergelijkbare restauraties van respectievelijk keizer Caracalla in 212 en keizer Vespasianus in 79 n.C?. keizer Aurelianus nam de boog tenslotte op in de Aureliaanse muren. Na verloop van tijd veranderde de naam van de poort in Porta San Lorenzo. Hij draagt die naam op een charmante ets van Giussepe Vasi van circa 1750. Het was een verwijzing naar de nabijgelegen basiliek van San Lorenzo fuori le Mura. In de volksmond werd de poort echter Capo de' Bove of Porta Taurina genoemd omdat hij versierd was met stierenschedels. De poort zelf bleef ongewijzigd, maar het niveau van de straat ligt een stuk hoger dan in de achttiende eeuw, zodat hij vandaag zonder ingrijpende werkzaamheden niet meer als doorgang kan worden gebruikt.

Wie aan gravures en etsen van stadsgezichten van Rome denkt, denkt aan Giovanni Battista Piranesi (1720–1778). Piranesi was in feite een architect. In 1763 kreeg hij van paus Clemens XIII een opdracht voor een nieuw hoofdaltaar in de basiliek Sint-Jan van Lateranendat echter nooit werd gerealiseerd. Veel heeft hij in Rome trouwens niet gebouwd. In 1764 was hij in opdracht van kardinaal Giovanni Battista Rezzonico, tevens prior van de Orde van Malta, verantwoordelijk voor de restauratie van de kerk Santa Maria del Priorato op de Aventijn. De gevel en het interieur van deze kerk werden onder zijn impuls veranderd. Tevens tekende hij het ontwerp van de Piazza dei Cavalieri di Malta, het plein voor de kerk. Daarnaast was hij gepassioneerd door archeologisch onderzoek waarbij hij denkbeelden huldigde die tegenwoordig compleet achterhaald zijn. Maar zij gaven wel het ontstaan aan een hele reeks prachtige prenten. Piranesi maakte talrijke gravures van de Porta Tiburtina. Een ervan documenteert nauwkeurig de drie hoger vernoemde inscripties. De ets werd gepubliceerd in Rovine del Castello dell’ Acqua Giulia uit 1761.  In dit boek reconstrueerde hij de waterbouwkundige technieken die de Romeinen gebruikten bij het bouwen van hun aquaducten. Samen met het vierdelige ‘Le Antichità Romane’ (1784) vormde het een mijlpaal in de archeologie. Het werk vormt een schitterend voorbeeld van het veldwerk dat Piranesi leverde bij de studie van de archeologische monumenten in Rome die hij tot in de kleinste details documenteerde. Kortom, deze prenten zijn in niets te vergelijken met de pittoreske vedute.

Giovanni Battista Piranesi was niet de enige die aandacht had voor de Porta Tiburtina. De Britse landschapsschilder John Smith (1749 – 1831),  een van de beroemdste aquarellisten van zijn tijd, schilderde omstreeks 1780 de Porta Tiburtina die toen de Porta di San Lorenzo werd genoemd. Het werk, een olie op doek, wordt bewaard in het Victoria and Albert Museum in London en stelt de Porta Tiburtina voor aan de binnenzijde van de Aureliaanse omwalling met zijn impsante wachttorens.  Tussen 1776 en 1781 had John Smith een eerste reis door Italië ondernomen waar hij andere Britse kunstenaars zoals Francis Towne, Thomas Hearne and William Pars ontmoette. Hij bezocht Italië opnieuw in 1785-1786, dit keer in het gezelschap van Lord Warwick. Deze laatste verwierf een grote collectie van zijn werk. En zo werd John Smith bekend als “Warwick" of "Italian" Smith.

Net zoals bij de Via Appia stonden langs de Via Tiburtina talrijke grafmonumenten. De meesten ervan zijn in de loop van de geschiedenis verdwenen. Eén bleef er bewaard, de tombe van de Plautii. Weinig reizigers zijn ermee bekend. Het grafmonument staat bij de elegante Ponte Lucano, een Romeinse brug over de Aniene rivier, niet zo ver van Tivoli. Het heeft veel weg van de tombe van Caecilia Metella, de dochter van Quintus Caecilius Metellus Creticus en echtgenote van M. Licinius Crassus, langs de Via Appia, ongeveer vijf kilometer buiten Rome. Een groot grafschrift op het grafmonument van de Plautii identificeert de overledene:

M(arcus) Plautius M(arci) F(ilius) A(uli) N(epos) | Silvanus | co(n)s(ul) VII vir epulon(um) | huic senatus triumphalia | ornamenta decrevit | ob res in Ilyrico | bene gestas | Lartia Cn(ai) f(ilia) uxor | A(ulus) Plautius M(arci) F(ilius) | Urgulanius | vix(it) ann(orum) IX

Marcus Plautius Silvanus, zoon van Marcus, kleinzoon van Aulus, consul, septemvir van de Epulones, aan wie de senaat de onderscheidingen van de triomferende generaal heeft toegekend omdat hij de (Romeinse) belangen in Illyrië goed heeft beredderd. Lartia, dochter van Cnaeus, zijn echtgenote. Aulus Plautius Urgulanus, zoon van Marcus, 9 jaar oud.

Marcus Plautius Silvanus bouwde het grafmonument in de eerste eeuw v.C. bij de ponte Lucano als mausoleum voor het geslacht van de Plautii. Deze brug over de rivier de Anio dateert van de 1ste eeuw v.C. en maakte deel uit van de oude consulaire ‘Via Tiburtina’. De pons Lucanus, zoals de brug in de oudheid ongetwijfeld werd genoemd, was een project van M. Plautius Lucanus, die samen met Tiberius censor was tijdens de regering van keizer Augustus. Ook Tiberius Plautius Silvanus Aelianus, die onder leiding van keizer Claudius deelnam aan de invasie van Britannia in 43 n.C., werd hier bijgezet. Het reusachtige cylindrisch graf staat op een lage, vierhoekige basis en was bekleed met travertijn. Doorheen de geschiedenis speelde het een belangrijke rol. Omwille van zijn strategische ligging bij de antieke brug liet paus Paulus II (1464-1471) het graf tot een militaire wachtpost ombouwen. Dergelijke grandioze graven waren typisch voor de gefortuneerde Romeinse families van de Augusteïsche periode. Hoe rijker de familie, hoe groter het graf met als absolute hoogtepunten het mausoleum van keizer Augustus op de Campus Martius en uiteraard dat van Hadrianus, nu het Castel Sant’ Angelo langs de Tiber. M. Plautius Silvanus hoorde tot een vooraanstaande senatoriale familie. Hij was gehuwd met Lartia, de dochter van senator Cn.Lartius. Zelf was hij de zoon van Urgulania, nauw bevriend met Livia, de echtgenote van keizer Augustus. Tacitus, die niet zo hoog opliep met het huis van Augustus, verhaalt hoe Urgulania hierdoor een grote invloed wist te verwerven die haar quasi onaantastbaar maakte. Die vriendschap leverde M. Plautius Silvanus invloed en een schitterende loopbaan op, een loopbaan die in 2 v.C. leidde tot het consulaat aan de zijde van keizer Augustus. Uit zijn levensloop kan je enkel besluiten dat M. Plautius Silvanus niet alleen een topcarrière doorliep, maar ook één van de vertrouwelingen van het keizerlijk huis was.

De Romeinse brug en het grafmonument maakten grote indruk op Italië-reizigers van de 17de en de 18de eeuw die tijdens hun Grand Tour langs de klassieke monumenten over de Via Tiburtina van Rome naar Tivoli of andersom trokken. In die tijd publiceerde de befaamde Duitse archeoloog en kunsttheoreticus Johann Joachim Winckelmann (1717-1768) zijn inzichten over de antieke kunst. Voor kunstenaars waren Romeinse monumenten, landschappen en hun bewoners een ongelooflijk rijke bron. Dat was ook het geval voor deze twee prachtige monumenten langs de Via Tiburtina waarvan de herinnering bijna verloren was gegaan en die getalenteerde schilders portretteerden. De brug werd vereeuwigd in talloze schilderijen van grote kunstenaars: Gaspard Poussin en Jean-Baptiste Corot, om er maar een paar te noemen. De tombe van de Plautii werd onder meer door de Zwitserse schilder en etser Abraham Louis Rodolphe Ducros (1748 – 1810) geschilderd. ‘Ponte Lucano e Mausoleo dei Plauzi’ van 1789 is een ronduit prachtig werk dat de brug met het mausoleum in volle glorie uitbeeldt. Ook maakte hij verschillende aquarellen van deze archeologische site. Op een ervan, dat deel uitmaakt van de Britse National Trust Collections, gaf de kunstenaar één van de opschriften voldoende gedetailleerd weer zodat het voor de toeschouwer nog leesbaar was. Heel op de achtergrond kan men Tivoli en de ruïnes van de Villa Hadriana opmerken. Een tweede aquarel, een ‘Veduta del ponte Lucano’, schenkt een zicht op de Romeinse brug met enkele herders waarboven het graf van de Plautii hoog uittorende. Onder de reizende kunstenaars vermelden wij ook graag Jodocus Sebastiaen Van den Abeele of Josse-Sébastien van den Abeele (1797-1855). Deze van Gent afkomstige neoclassicistische schilder van landschappen, portretten en historische taferelen verbleef verscheidene jaren (1824-1836) in Italië. Tijdens dat verblijf en kort erna schilderde hij een reeks werken waarop monumenten uit de antieke oudheid figureerden waaronder de Ponte Lucano met de tombe van de Plautii. Ook enkele vooraanstaande Italiaanse grafici zoals Giovanni Battista Piranesi en Luigi Rossini hadden meer dan gewone aandacht voor dit prachtige monument.

Het is opvallend, althans voor de aandachtige kijker, dat de Via Tiburtina op deze werken geen mooi met basaltstenen aangelegde weg is, maar eerder het karakter heeft van een stoffige landweg. Dat is niet alleen duidelijk het geval op het vernoemde schilderij van Jodocus Sebastiaen Van den Abeele . Ook op Veduta degl'avanzi del sepolcro della famiglia Plauzia sulla via Tiburtina vicino al ponte Lugano due miglia lontano da Tivoli van Piranesi is dat het geval. De prent maakt deel uit van de serie 'Vedute di Roma'. Piranesi werkte er van 1748 tot zijn dood in 1778 aan.

Brug en mausoleum maken deel uit van een archeologisch landschap dat in zekere zin de toegangspoort vormt tot de schitterende Villa Adriana die keizer Hadrianus niet zo veel verder bij Tivoli tussen 126 en 134 liet aanleggen op een oppervlakte van maar liefst 120 hectaren. De keizer inspireerde zich voor dit landgoed op de Hellenistische hofcultuur en ging daarbij uit van de Domus Aurea van keizer Nero in Rome stad, maar dan luxueuzer en reusachtiger van omvang. In Tivoli had hij in tegenstelling tot in Rome ruimte te over, maar vooral ook veel meer rust. Het reusachtige complex is als het ware organisch in het landschap opgenomen, zonder een centraal uitgangspunt of een overheersende richting in de vallei tussen de oostelijke en de westelijke flank van de Monti Tiburtini die in die tijd bijzonder erg in trek waren bij de hogere klasse om een landgoed te bouwen. Door zijn ligging was de Villa Adriana beschermd tegen de noordenwind, terwijl de zachte westenwind 's zomers verkoeling bracht. Het complex was duidelijk geïnspireerd op landschappen en bouwwerken die Hadrianus tijdens zijn verre reizen in het Oosten had bezocht. Behalve een keizerlijk paleis met thermen, bibliotheken en banketzalen bestond het uit uitgestrekte tuinen boordevol kunstwerken, dierenverblijven, pleinen met fonteinen, watervallen en visbekkens. De onbekende auteur van de Hadrianus-biografie in de Historia Augusta (kap. 26) schreef hierover :

Zijn villa in Tibur was schitterend gebouwd, en hij gaf aan delen ervan de namen van provincies en plaatsen van de grootste bekendheid en noemde ze bijvoorbeeld Lyceum, Academia, Prytaneum, Canopus, Poecile en Tempe. En om niets weg te laten, maakte hij zelfs een Hades.

Zeker vanaf de 6de eeuw n.C. geraakte de Villa Adriana sterk in verval. Resten van kalkovens waarmee marmer tot kalk werd verbrand, zijn in de Villa aangetroffen. De Villa Adriana geraakte in de vergetelheid en verviel geleidelijk tot een ruïneveld. De echte herontdekking situeert zich rond het midden van de 16de eeuw met de opgravingen door Pirro Ligorio, de architect van de Villa d'Este van kardinaal Ippolito II d'Este. In die context tekende Hendrick van Cleve een gezicht op de Villa Adriana:  Villae Hadriani prospectus waarvan de prent in 1585 door Philip Galle werd uitgegeven. Deze maakte deel uit van een serie van 38 etsen die in 1604 onder de titel Ruinarum varii prospectus, ruriumque aliquot delineationes in Antwerpen werden gepubliceerd. Trouwens, ook Piranesi maakte talrijke gedetailleerde etsen van de villa. Samen vormden zij de Pianta delle fabbriche esistenti nella Villa Adriana, een gigantisch werk. In 1778 stierf Piranesi echter, zijn zoon Francesco zou er voor zorgen dat dit werk van zijn vader in 1781 werd gepubliceerd. Tot op de dag van vandaag is dit extreem luxueuze landgoed nog steeds een indrukwekkende site. Een bezoek aan de ruïnes ervan blijft een absolute belevenis.

In de buurt van Tivoli ligt trouwens nog een andere luxueuze villa die reeds lang wordt geassocieerd met Manlius Vopiscus. De opgravingen ervan startten in 1825. Op het terrein van de Romeinse villa startte paus Gregorius XVI in 1835 met de bouw van zijn gelijknamige Villa Gregoriana. In  de 19de eeuw werd deze plek een niet te missen bestemming van de Grand Tour en een van de meest populaire onderwerpen voor schilders die Tivoli uitbeeldden. Het park werd meer dan een eeuw lang een favoriete bestemming voor kunstenaars en schrijvers. In de loop van de 20ste eeuw geraakte het domein in verval. Maar jaren lange restauraties maakten mogelijk dat sedert 2005 bezoekers opnieuw kunnen genieten van de archeologische restanten in het meest weelderige groen langs de oude paden van het Parco Villa Gregoriana. Onder de hoogtepunten van deze ruïnes bevinden zich de overblijfselen van de weelderige residentie van de Romeinse consul Manlius Vopiscus, alsook de Romeinse tempels op de Acropolis van Tibur, waaronder de beroemde tempel van Vesta. Het heiligdom van Hercules Victor was een van de belangrijkste religieuze complexen van de 2de eeuw v.C.. Volgens Suetonius sprak keizer Augustus hier recht.

Bijzonder de villa van Manlius Vopiscus maakte op reizigers grote indruk. De faam van de plaats gaat terug tot de oudheid, wat blijkt uit bij voorbeeld de Oden van Horatius en Silvae van Statius die de villa van de Romeinse patriciër met zekere bewondering beschrijven. En zoveel eeuwen later schreef Joseph Forsyth in zijn Remarks on Antiquities, Arts, and Letters in Italy in 1802-1803, die in 1813 werden gepubliceerd,  het volgende:

Bij aankomst in Tivoli huurden we een Cicerone en ezels voor de pittoreske tocht door de heuvels. Voor het eerst verscheen de villa van Vopiscus, die slechts aan één oever van de Anio staat, en aan de rand van de grote waterval, in een situatie die zo luidruchtig, zo ruig, zo rotsachtig is, op elk punt zo tegengesteld aan Statius' beschrijving van zijn rustige locatie , dat geen tijdsverloop of verandering in de rivier hen goed met elkaar zou kunnen verzoenen.

De acropolis van het oude Tibur lag boven op een geïsoleerde rots. Tijdens de 1ste eeuw n.C. bouwde men op deze plek de tempel van Vesta die later werd getransformeerd tot een kerk, de Santa Maria della Rotonda alsook de tempel van de Sibylle waarvan de Antwerpse kunstenaar Paul Bril (1554-1626) een prachtige tekening maakte. De antieke ruïnes van Tivoli figureren trouwens op talloze schilderijen van bekende en minder bekende meesters waarbij vooral de werken van Joseph William Turner en de reeds genoemde Abraham Louis Rodolphe Ducros opvallen.

De geschiedenis en de schoonheid van Tivoli heeft altijd beroemde persoonlijkheden en artiesten betoverd. Zij kwamen uit alle delen van de wereld om de pracht van deze oude stad te bewonderen. Tijdens de bekende Grand Tour op het einde van de 18de eeuw konden welgestelde reizigers een excursie naar Tivoli niet missen om de ruïnes te bezoeken. Tivoli werd een fundamentele etappe in de Grand Tour van Europese kunstenaars en jonge aristocraten. De meest bekenden zijn Wolfgang Goethe, Chateaubriand, Franz Liszt en Joseph William Turner.

In het bijzonder Goethe hield van het landschap van Tivoli en naar zijn mening schonk de Villa Gregoriana met zijn watervallen het beste beeld van de natuur. Maar de Duitse dichter hield ook van de oude ruïnes van Tibur Superbum en van de prachtige blauwe regen in de buurt van de tempel van Vesta, de oudste plant van Europa, bekend als de blauwe regen van Goethe. Hij was aan deze plekken gehecht en hier vond hij inspiratie om eer te bewijzen aan Tivoli:

"De afgelopen dagen ben ik in Tivoli geweest en heb ik een van de eerste wonderen van de natuur gezien. De watervallen, de ruïnes en het algehele landschap behoren tot die dingen, waarvan de kennis onze meest innerlijke zielen verrijkt."

 

Foto opgraving Via Tiburtina: Guidonia_Soprintendenza Archeologia


«   »