Aan Thaliarchus

Gepubliceerd op 7 april 2021 om 21:16

Horatius, Ode, 1, 9, Aan Thaliarchus

Zie je hoe de Soracte blinkend wit
door de diepe sneeuw staat, en (hoe) de zwoegende bossen
de last niet meer kunnen dragen,
en de rivieren bevroren zijn door de felle vorst?

Verdrijf de koude, doordat je rijkelijk hout
op de haard gooit en haal overvloediger
vier jaar oude onvermengde wijn tevoorschijn.
Oh Thaliarchus, uit Sabijnse kruik.

Laat de rest aan de goden over; zodra zij
de winden die vechten op de bruisende zee,
tot rust hebben gebracht, worden noch de cipressen
noch de oude essen hevig geschud.

Wat er morgen zal zijn, wil dat niet vragen en
boek als winst welke ook maar van de dagen het Lot zal geven,
en versmaad jij, als jongen, niet de zoete liefde
en ook niet de koordansen,

zolang als het lastige grijze haar afwezig is (bij jou),
in de kracht van je leven (lett: die krachtig bent). Laten nu het Marsveld en de pleinen
en het zachte gefluister tegen de nacht
worden opgezocht op het afgesproken uur.

en nu (laat ook) het aangename gelach, dat haar verraadt, van het meisje dat zich verbergt vanuit
een verborgen hoekje (opgezocht worden)
en het onderpand, ontnomen aan haar armen
of aan de vinger die nauwelijks tegenstribbelt.

 

Foto: tumulus van Lauw

Vertaling, zie hier


«