Bertold Brecht over erfgoed

Gepubliceerd op 12 oktober 2020 om 21:13

In onze omgang met erfgoed zijn wij zeer eenzijdig gericht op de grootse figuren die uiteraard grootse prestaties hebben geleverd. Van Eyck, Rubens en Ensor waren echte kunstenaars van wie het beste werk officieel in een topstukkenlijst wordt opgenomen. Van uitzonderlijke geschriften is een canon vastgesteld. Hoort Black Venus uit de Gangreen-reeks van Jef Geeraerts daar nu al dan niet in thuis? Over de zin en onzin van een historisch canon wordt ondertussen nog steeds heftig gedebatteerd.

Wie de erfgoedsector een beetje volgt kan enkel maar vaststellen dat met het verstrijken van de jaren vooral de majestueuze monumenten over blijven. Het bescheiden mensenwerk, hoe belangrijk ook, komt steeds meer in de verdrukking door onverschilligheid gemaskeerd door wat men het algemene belang noemt.  De tijd geeft de canon vorm. 

Terwijl in Tongeren de begijnhofkerk kreunt onder de voortschrijdende tijd staan de Gallo-Romeinse tumuli steeds meer onder druk door de oprukkende blokkendozen van mensen die residentieel willen wonen. Zij hebben daartoe alvast de Romeinse heerwegen en het nabijgelegen grafveld weggegraven.  Waar kan ik binnenkort nog de eeuwenoude gedenktekens van onze overleden voorouders bezoeken of over kiezels wandelen waar zij hun wegen hebben aangelegd?

De Duitse schrijver en dichter Bertolt Brecht (1898-1956) schreef met 'Vragen van een lezende arbeider' een scherp gedicht over ons gebrek aan respect voor de mensen die de geschiedenis vorm gaven en er de prijs voor betaalden:

 

Wie bouwde het zevenpoortige Thebe?
In de boeken staan de namen van koningen.
Hebben de koningen de rotsblokken aangesleept?
En het zo vaak verwoeste Babylon
Wie heeft het zoveel keer opgebouwd? In welke huizen
Van het goudglanzige Lima woonden de bouwvakkers?
Waarheen gingen op de avond toen de Chinese muur af was
De metselaars? Het grote Rome
Staat vol triomfbogen. Wie richtte ze op? Over wie
Triomfeerden de Caesars? Had het veelbezongen Byzantium
Alleen paleizen voor zijn inwoners? Zelfs in het legendarische Atlantis
Schreeuwden in de nacht toen de zee het opslokte
De verzuipenden om hun slaven.

De jonge Alexander veroverde Indië.
Hij alleen?
Caesar versloeg de Galliërs.
Had hij op zijn minst niet een kok mee?
Philips van Spanje weende toen zijn vloot
Was vergaan. Weende anders niemand?
Frederik de Tweede zegevierde in de Zevenjarige Oorlog. Wie
Zegevierde behalve hij?

Elke bladzij een zege.
Wie kookte het zegemaal?
Om de tien jaar een groot man.
Wie betaalde de kosten?

Zoveel verhalen
Zoveel vragen.

(vertaling Stefaan van den Bremt)

 

En toch maakten die kiezels deel uit van een groots en complex netwerk van wegen dat Rome verbond met de verste uithoeken van het Romeinse Rijk. Zij dienden de hele bevolking. Zij lagen aan de basis van de ontwikkeling van steden, dorpen en monumenten, aan de verspreiding van ideeën, aan het ontstaan van getuigenissen en herinneringen die in de loop van meer dan 2000 jaar geschiedenis een complexe culturele omgeving hebben gevormd.

 

Het gedicht met vertaling vond ik op de fijne website van Guido Vanhercke


«   »