Jodocus Sebastiaen Van den Abeele en het graf van de Plautii

Gepubliceerd op 12 juli 2014 om 13:42

Tijdens een veiling van een Brussels huis in 2014 werd een olieverfschilderij op doek te koop aangeboden, beschreven als ‘Conversatie onder de toren’ van de hand van de Belgische schilder Jodocus Sebastiaen Van den Abeele of Josse-Sébastien van den Abeele (1797-1855). Het werk was getekend en gedateerd: Van den Abeele 1838. Deze van Gent afkomstige neoclassicistische schilder van landschappen, portretten en historische taferelen verbleef verscheidene jaren (1824-1836) in Italië. Tijdens dat verblijf en kort erna schilderde hij een reeks werken waarop monumenten uit de antieke oudheid figureerden, onder meer ‘Het Forum Romanum’, ‘Gezicht op het Colosseum in Rome’ (1837) en deze ‘Conversatie onder de toren’. Voor Van den Abeele waren Romeinse monumenten, landschappen en hun bewoners een ongelooflijk rijke bron.

Het schilderij ‘Conversatie onder de toren’ toont een massieve ‘toren’ terzijde van een aarden weg. Langs de weg ligt een jager tegen een omgevallen zuil. Hij kijkt ogenschijnlijk naar enkele vrouwen en kinderen. De aanwezigheid van deze figuren is in feite bijkomstig. Zij accentueren enkel de monumentaliteit dit het monument. Voor de toren op een sokkel staan enkele monumentale opschriften. Jodocus Sebastiaen Van den Abeele heeft één van deze opschriften voldoende gedetailleerd geschilderd zodat het opschrift nog leesbaar is:

M(arcus) Plautius M(arci) F(ilius) A(uli) N(epos) | Silvanus | co(n)s(ul) VII vir epulon(um) | huic senatus triumphalia | ornamenta decrevit | ob res in Ilyrico | bene gestas | Lartia Cn(ai) f(ilia) uxor | A(ulus) Plautius M(arci) F(ilius) | Urgulanius | vix(it) ann(orum) IX 

Marcus Plautius Silvanus, zoon van Marcus, kleinzoon van Aulus, consul, septemvir van de Epulones, aan wie de senaat de onderscheidingen van de triomferende generaal heeft toegekend omdat hij de (Romeinse) belangen in Illyrië goed heeft beredderd. Lartia, dochter van Cnaeus, zijn echtgenote. Aulus Plautius Urgulanus, zoon van Marcus, 9 jaar oud.

Onder meer dankzij die gedetailleerde weergave kan deze ‘toren’ worden geïdentificeerd als het zogenaamde 'Sepolcro dei Plauzi', het graf van de Plautii bij de Ponte Lucano, niet zo ver van Tivoli, het Romeinse Tibur. Jodocus Sebastiaen Van den Abeele was niet de enige kunstenaar die dit grafmonument schilderde. Op het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw speelde het neoclassicisme in de kunsten een belangrijke rol. Deze stroming streefde opnieuw de vermeende puurheid van de klassieken na. De (bouw)kunst van de oude Grieken en Romeinen vormden bijgevolg een belangrijke inspiratiebron. De romantische interesse van de kunstenaar voor ruïnes gaat hier gepaard met een archeologische belangstelling voor antieke overblijfselen. Belangrijke archeologische opgravingen in de achttiende eeuw, onder meer in Pompeï en Herculaneum, wakkerden de belangstelling voor de klassieke beschaving sterk aan net als de oudheidkundige monumenten in Griekenland. In dezelfde periode publiceerde de Duitse archeoloog en kunsttheoreticus Johann Joachim Winckelmann zijn inzichten over de antieke kunst. Het neoclassicisme had in België nogal wat aanhangers. De invloed van onder meer de Franse schilders

Jacques-Louis David en Jean-Auguste-Dominique Ingres was daaraan niet vreemd. Vele Belgische schilders verbleven op hun beurt in Rome. Een van hen was de Zwitser Abraham Louis Rodolphe Ducros (1748 – 1810) die iets vroeger reeds het graf van de Plautii had geschilderd. Ook bij deze kunstenaar is het opschrift duidelijk te lezen. Ook enkele vooraanstaande grafici zoals Giovanni Battista Piranesi (Veduta del sepolcro della famiglia Plauzia, 1765)) en Luigi Rossini (Veduta degli Avanzi del Sepolcro della famiglia Plauzia, sulla Via Tiburtina vicina al Ponte Lucano tre miglia lontano da Tivoli, 1824) hadden meer dan gewone aandacht voor dit prachtige monument.

Het grafmonument van de Plautii heeft veel weg van dit van Caecilia Metella, de dochter van Quintus Caecilius Metellus Creticus en echtgenote van M. Licinius Crassus, langs de Via Appia, ongeveer vijf kilometer buiten Rome. Marcus Plautius Silvanus bouwde het in de eerste eeuw v.C. bij de ponte Lucano als mausoleum voor het geslacht van de Plautii. Deze brug over de rivier de Anio dateert van de 1ste eeuw v.C. en maakte deel uit van de oude consulaire weg ‘via Tiburtina’ die Rome met Tibur verbond. De pons Lucanus, zoals de brug in de oudheid ongetwijfeld werd genoemd, was een project van M. Plautius Lucanus, die samen Tiberius censor was tijdens de regering van keizer Augustus. Ook Tiberius Plautius Silvanus Aelianus, die onder leiding van keizer Claudius deelnam aan de invasie van Britannia in 43 n.C., werd hier bijgezet. Brug en mausoleum maken deel uit van een archeologisch landschap dat in zekere zin de toegangspoort vormt tot de schitterende Villa die keizer Hadrianus niet zo veel verder liet bouwen. Het reusachtige cylindrisch graf staat op een lage, vierhoekige basis en was bekleed met travertijn. Doorheen de geschiedenis speelde het een zekere rol. Omwille van zijn strategische ligging bij de antieke brug liet paus Paulus II (1464-1471) het graf tot een militaire wachtpost ombouwen. Dergelijke grandioze graven waren typisch voor de gefortuneerde Romeinse families van de Augusteïsche periode. Hoe rijker de familie, hoe groter het graf met als absolute hoogtepunten het mausoleum van keizer Augustus op de Campus Martius en uiteraard dat van Hadrianus, nu het Castel San Angelo langs de Tiber. 

M. Plautius Silvanus hoorde tot een vooraanstaande senatoriale familie. Hij was gehuwd met Lartia, de dochter van senator Cn.Lartius. Zelf was hij de zoon van Urgulania, nauw bevriend met Livia, de echtgenote van keizer Augustus. Tacitus, die niet zo hoog opliep met het huis van Augustus, verhaalt hoe Urgulania hierdoor een grote invloed wist te verwerven die haar quasi onaantastbaar maakte. Die vriendschap leverde M. Plautius Silvanus invloed en een schitterende loopbaan op, een loopbaan die in 2 v.C. leidde tot het consulaat aan de zijde van keizer Augustus. De politieke alliantie met de Plautii bleek voor het keizerlijk hof trouwens niet zonder betekenis. Zijn dochter Plautia Urgulanilla huwde met Claudius, keizer tussen 41 en 54 n.C., die zijn bruid Livia Medullina had verloren. Ook was hij lid van de Septemviri Epulones, een zeven koppig priestercollege dat verantwoordelijk was voor de organisatie van heilige banketten. Omstreeks 5/6 was hij proconsul van Asia. In 6. n.C. was hij legatus consularis in Galatia – Pamphylia. Op een bronzen munt is te zien hoe de Demos van Pergamum de proconsul M. Plautius Silvanus lauwerde. Omstreeks die tijd brak de Illyrische opstand uit. Op bevel van Tiberius trok hij met zijn troepen op, maar het treffen met de vijandelijke troepenmacht draaide bijna op een catastrofe uit.9 In 8 n.C. nam hij deel aan de veldtocht tegen de Breuci. Dio Cassius verhaalt dat als volgt: 

Als gevolg hiervan kwamen veel Pannonische stammen in opstand en moest Marcus Plautius Silvanus het tegen hen opnemen. Hij versloeg de Breukiërs en wist andere stammen zonder strijd voor zich te winnen. Toen Bato dat zag gebeuren had hij geen enkele hoop meer dat hij het in Pannonië zou redden: hij bezette de passen naar Dalmatië en plunderde dat land. Toen sloot ook de rest van de Pannoniërs eindelijk een wapenstilstand, voornamelijk omdat hun land zeer te lijden had onder het optreden van Silvanus. 

Dat betekende echter niet dat de moeilijkheden in Dalmatië ten einde waren. Een aantal steden hadden opnieuw de wapens opgenomen. In 9 n.C. besloot Augustus om Tiberius opnieuw naar Dalmatië te sturen. En dan verhaalt Dio Cassius verder: 

(Tiberius) merkte dat de soldaten het afwachten beu waren en niets liever wilden dan de oorlog tot een goed einde te brengen, ook al bracht dat gevaren met zich mee. Hij was bang dat ze zouden gaan muiten als ze allemaal bij elkaar in één kampement bleven, dus besloot hij hen in drie groepen op te delen: een onder het commando vaan Marcus Plautius Silvanus en een onder Marcus Aemilius Lepidus, terwijl hijzelf samen met Germanicus met het derde contingent oprukte tegen Bato. Silvanus en Lepidus wisten hun tegenstanders zonder moeite te verslaan maar Tiberius moest praktisch het hele land door trekken omdat Bato nu eens hier en dan weer daar opdook …. 

De campagnes verliepen voor de Romeinen moeizaam. Maar uiteindelijk wisten zij de overwinning te behalen. Wegens zijn militaire verdiensten werd hij door de senaat met de onderscheidingen van de triomferende generaal geëerd het geen ook door Dio Cassius wordt bevestigd. Circa 9/11 n.C. bestuurde hij als legarus Augusti pro praetore de provincie Syrië. Wanneer je al deze feiten op een rij zet, kan je enkel besluiten dat M. Plautius Silvanus niet alleen een topcarrière doorliep, maar ook één van de vertrouwelingen van het keizerlijk huis was.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.